De eigen bijdrage verlagen met je testament. Een goed idee?

Als je thuiszorg krijgt of naar een verpleeghuis gaat, wordt een groot deel van de kosten betaald door de overheid de belastingbetaler. Je moet echter ook een klein deel van de kosten zelf betalen in de vorm van een “eigen bijdrage”.

Die eigen bijdrage is afhankelijk van je inkomen. Voor veel ouderen is dat met name de AOW-uitkering en het pensioen, maar de wetgever gaat er ervan uit dat je daarnaast een bepaald rendement op je vermogen maakt en beschouwt dit forfaitaire rendement ook als inkomen. Daarbij wordt (op dit moment) alleen gekeken naar je box 3-vermogen, zoals je spaarrekening, je beleggingsportefeuille en je vakantiehuisje. Als je een eigen woning (koopwoning) hebt, telt die op dit moment (nog) niet mee als vermogen (zo lang de woning voor de inkomstenbelasting in box 1 zit).

Het langstlevendentestament

Bij een langstlevendentestament erft – het woord zegt het al – de langstlevende partner in eerste instantie alle bezittingen en schulden. De kinderen houden hun vaderlijk of moederlijk erfdeel tegoed van de langstlevende in de vorm van een geldvordering, die zij pas kunnen opeisen als de langstlevende overlijdt. Althans, dat geldt bij de zogenaamde wettelijke verdeling (art. 4:13 BW); er zijn ook andere langstlevendentestamenten, zoals het vruchtgebruiktestament en het tweetrapstestament, die op een iets andere manier werken (de kinderen krijgen dan geen geldvordering), maar daarvoor geldt het onderstaande ook (zij het net op een iets andere manier).

De bejaardenhuisclausule

Het vermogen van de langstlevende stijgt dus als zijn/haar partner is overleden. Dat kan leiden tot een hogere eigen bijdrage als de langstlevende naar een verpleeghuis gaat. Wat het extra ongunstig maakt, is dat de langstlevende de erfdelen die hij/zij schuldig is aan de kinderen niet mag opvoeren als schulden in box 3, zolang de kinderen hun erfdeel niet kunnen opeisen (art. 5.4 Wet inkomstenbelasting 2001). Die erfrechtelijke schulden zijn “gedefiscaliseerd”, zoals dat heet.

Daar hebben notarissen lang geleden iets op bedacht: de bejaardenhuisclausule, die vroeger ook wel bekendstond als Awbz-clausule of Wlz-clausule. In de loop der jaren zijn daarvan veel verschillende (goede en minder goede) varianten in testamenten opgenomen. Kort gezegd, komt het erop neer dat als de langstlevende wordt opgenomen in een verpleeghuis, de kinderen hun vaderlijk of moederlijk erfdeel (soms zelfs verhoogd met rente sinds het eerste overlijden) kunnen opeisen. Het gevolg: doordat de langstlevende de erfdelen aan de kinderen moet uitkeren, daalt zijn/haar (box 3-) vermogen.

Voor de eigen bijdrage in het kader van de Wet langdurige zorg (Wlz, voorheen de Awbz, die met name geldt voor mensen die in een verpleeghuis zijn opgenomen) is die daling van het vermogen gunstig. Bij de huidige stand van de wetgeving maakt het voor de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (de Wmo, die met name geldt voor mensen die thuiszorg krijgen) weinig tot geen verschil, maar dit verandert waarschijnlijk in de toekomst. Maar er kunnen ook nadelen zijn…

Gevolgen van het opeisbaar worden voor box 3

Als de kinderen hun erfdeel opeisen, daalt het vermogen van de langstlevende, waardoor de vermogensafhankelijke eigen bijdrage mogelijk lager wordt. Sterker nog, het enkele feit dat de kinderen hun erfdeel mogen opeisen leidt al tot een daling van het box 3-vermogen van de langstlevende. Zelfs als de kinderen hun langstlevende ouder niet direct het mes op de keel zetten en niet tot opeising overgaan. Vanaf het moment dat de kinderen hun vaderlijk of moederlijk erfdeel (volgens de bepaling in het testament) mogen opeisen, mag de langstlevende deze schulden opvoeren in box 3. Dat heeft natuurlijk alleen effect als er op dat moment ook box 3-vermogen is (zoals spaargeld, een beleggingsportefeuille of een vakantiewoning). Of een voormalige eigen woning die al langere tijd (in beginsel: meer dan twee jaar, maar dit ligt genuanceerd) leegstaat. Bedenk daarbij dat als de langstlevende naar een verpleeghuis gaat, zijn/haar woning vaak kort daarna wordt verkocht. De verkoopopbrengst belandt dan op zijn/haar bankrekening en gaat vervolgens meetellen in box 3.

Ik schreef hiervoor dat de eigen bijdrage mogelijk lager wordt. Dat is namelijk niet altijd het geval. Sommige mensen hebben zo’n hoog pensioen, dat zij op grond daarvan reeds de maximale eigen bijdrage betalen (voor verpleeghuis is die maximale eigen bijdrage op dit moment € 2.954,40 / maand, een kleine € 36.000 per jaar dus). Hoe hoog het vermogen is, maakt dan niet meer uit… Overigens, ook dat maximumbedrag ligt genuanceerd. Maar dat laat ik hier even rusten.

Mogelijk nadeel voor de kinderen

Vanaf het moment dat een kind zijn vaderlijk/moederlijk erfdeel mag opeisen, moet het kind de geldvordering als bezitting opgeven in box 3. Wat de gevolgen daarvan zijn, met name op lange termijn, is niet helemaal duidelijk, omdat de wetgeving op dit punt (als gevolg van een aantal uitspraken van de Hoge Raad) in beweging is.

Vooralsnog (ik schrijf dit in oktober 2025) gaat de overheid ervan uit dat het kind op deze vordering (als het ware geld dat een kind heeft “uitgeleend” aan zijn langstlevende ouder) ieder jaar 6,04% rente ontvangt, maar er is een “tegenbewijsregeling¨. Hoe die laatste regeling uitpakt voor opeisbare, maar niet opgeëiste erfdelen is mij (nog) niet bekend. Een hoger box 3-vermogen voor het kind betekent niet alleen dat het kind mogelijk (meer) vermogensrendementsheffing moet betalen, maar ook dat hij mogelijk minder of geen toeslagen meer krijgt (het “drempelvermogen” verschilt per toeslag). Een clausule die bedoeld is om de geldstroom naar de overheid (althans, het CAK) te verlagen, kan er zo dus toe leiden dat een kind juist minder geld van de overheid krijgt, of méér belasting moet betalen…

Nadeel voor de langstlevende zelf…

Ok, stel nu dat de afweging gunstig uitvalt: de langstlevende betaalt door de bejaardenhuisclausule een lagere eigen bijdrage en het kind komt er qua belasting en toeslagen niet slechter vanaf… “Doen, die clausule!,” hoor ik je zeggen. Of toch niet?

Ik geef een rekenvoorbeeld.

Piet en Marie zijn getrouwd in algehele gemeenschap van goederen Zij hebben twee kinderen (Jasper en Jaap). Zij hebben een eigen woning van € 600.000 en € 30.000 op de spaarrekening. Zij hebben geen hypotheekschuld of andere schulden. Piet overlijdt. Hieronder heb ik de erfdelen van Jasper en Jaap berekend. Dit zijn dus schulden van Marie aan Jasper en Jaap.

huwelijksgemeenschap:
woning€ 600.000
spaargeld€ 30.000
totaal€ 630.000
nalatenschap Piet:
helft saldo huwelijksgemeenschap€ 315.000
af: uitvaartkosten€ 10.000-
per saldo€ 305.000
erfdeel per kind (1/3 van Piets nalatenschap)€ 101.667
vermogen Marie (de langstlevende) (erfbelasting buiten beschouwing gelaten)€ 620.000
erfdeel zoon Jasper€ 101.667-
erfdeel zoon Jaap€ 101.667-
per saldo€ 416.667

Marie gaat naar een verpleeghuis en verkoopt de woning (omdat de peildatum voor box 3 op 1 januari ligt, maakt het nog een verschil wanneer de levering/ eigendomsoverdracht plaatsvindt). Zij moet dan de vaderlijke erfdelen uitkeren aan haar zoons Jasper en Jaap, als er een bejaardenhuisclausule in Piets testament staat. Marie houdt dan nog € 416.667 over. Hiervan telt de eerste € 33.748 niet mee voor het berekenen van haar eigen bijdrage. Op de resterende € 382.919 wordt Marie geacht een rendement van 4% te hebben gemaakt (ook als krijgt ze op haar spaarrekening bij de ING Bank een schamele 1,25%), oftewel € 15.317 per jaar. Dit laatste bedrag wordt opgeteld bij het pensioen van Marie (de zogenaamde “vermogensinkomensbijtelling”) om haar “inkomen” te bepalen waarop haar eigen bijdrage wordt gebaseerd.

Stel nu dat in het testament van Piet stond, dat op de vaderlijke erfdelen een samengestelde rente van 6% per jaar wordt bijgeschreven (dat komt vaak voor en is soms fiscaal gunstig). En dat Marie zeven jaar na het overlijden van Piet naar het verpleeghuis gaat. De vorderingen van Jasper en Jaap zijn dan inmiddels opgelopen tot € 101.667 * 1,06 7 = € 152.869 per kind. Marie houdt dan nog maar € 630.000 – 10.000 – (2 * € 152.869) = € 314.262 over. Dat is mooi, want haar vermogensinkomensbijtelling daalt daardoor behoorlijk (al maakt het vermogen boven een bepaald bedrag geen verschil meer, omdat de maximale eigen bijdrage al is bereikt).

Maar het betekent ook, dat Marie minder geld heeft om naar een particulier verpleeghuis te gaan! Of voor het inkopen van aanvullende zorg, zoals extra fysiotherapie of persoonlijke begeleiding. Dat laatste zal wel loslopen, hoor ik u denken. Maar doordat de vergrijzing toeneemt, zullen de kosten van de zorg in de toekomst wellicht hard stijgen. Het is dan de vraag of Marie met die € 314.262 wel alles kan doen wat zij zou willen.

Nuanceren, die berjaardenhuisclausule

Zo’n bejaardenhuisclausule kan dus ingrijpende gevolgen hebben voor de financiële positie van Marie. Als de verhoudingen met Jasper en Jaap goed zijn, zullen die waarschijnlijk wel bereid zijn om het vaderlijk erfdeel terug uit te lenen aan Marie als zij dat geld nodig heeft voor haar zorg (even aangenomen dat Jasper niet al het geld gelijk naar de kroeg gebracht heeft).

Maar als de verhouding slecht zijn, of als Jasper overlijdt en Marie ineens met hangende pootjes/ een opgehouden hand bij haar schoondochter moet aankloppen voor geld, kan dit toch tot vervelende situaties leiden. Gelukkig kan een notaris zo’n clausule op maat maken, rekening houdend met de specifieke wensen van – in dit geval – Piet en Marie. Maar zelfs dan geldt: de wetgeving (zeker die over de belasting op vermogen en de eigen bijdrage in de zorg) staat niet stil. Het is daarom raadzaam om het testament minimaal eens in de vijf jaar opnieuw met je notaris door te nemen.

De eigen bijdrage voor de WMO verandert in 2027

Als de langstlevende nog thuis woont en gebruikmaakt van ondersteuning via de Wmo, zoals huishoudelijke hulp of aanpassingen in huis (denk aan een traplift), speelt het vermogen nu nog geen rol. Er is een vaste eigen bijdrag van € 21,00 per maand (in sommige gemeenten is er iets afwijkend beleid). Dit betekent dat het vermogen van de langstlevende, dat vaak vastzit in de eigen woning (“de stenen” / box 1 van de inkomstenbelasting), nu nog geen invloed heeft op de hoogte van de eigen bijdrage voor WMO-diensten of thuiszorg.

Maar vanaf 1 januari 2027 verandert de wetgeving rondom de Wmo. Vanaf dat moment gaat het vermogen van een persoon wél meetellen bij het bepalen van de eigen bijdrage voor Wmo-voorzieningen. Met name als u een wat oudere woning hebt waar u als kosten aan hebt, nemen uw maandlasten toe en ziet u uw eigen vermogen misschien snel slinken: het schilderwerk, de tuinman, de energierekening én de eigen bijdrage voor de Wmo… En dan hebben we het nog niet over de inflatie in de supermarkt.

Veel testamenten houden nog niet of onvoldoende rekening met het scenario dat ook de eigen bijdrage voor de thuiszorg (Wmo) vermogensafhankelijk wordt. In ons rekenvoorbeeld zou het zo kunnen zijn dat Jasper en Jaap hun moeder – als de clausule letterlijk wordt genomen – kunnen dwingen om het huis te verkopen om aan ieder van hen € 152.869 uit te keren.

Een testament is meer dan een akte. Het is een manier om uw toekomst en die van uw naasten goed te regelen. Neem de tijd om u goed te laten informeren, zodat u weloverwogen keuzes kunt maken. En laat periodiek controleren of de akte nog aansluit bij uw situatie en de ontwikkelingen in de wetgeving.

In deze blog ben ik ingegaan op de financiële en fiscale gevolgen. Daarnaast is er ook nog een ethische vraagstuk. Iedere euro die Marie in ons rekenvoorbeeld niet betaalt, moet “de overheid” betalen. Dat is uiteindelijk dus de belastingbetaler (plus iedereen die via inflatie de prijs van de staatsschuld betaalt, ook toekomstige generaties, maar dat wordt wel een heel technisch verhaal). Ik heb daar verder geen oordeel over, maar u kent die Marie uit mijn rekenvoorbeeld niet. En toch vindt zij kennelijk dat u moet meebetalen aan háár zorgkosten… There’s no such thing as a free lunch.

Peiljaar

Er is overigens nog veel meer te vertellen over de eigen bijdrage en box 3. Bijvoorbeeld dat de peildatum voor het box 3-vermogen twee jaar eerder ligt. Dus als Marie op 1 maart 2026 wordt opgenomen in het verpleeghuis, kijkt het CAK-naar haar box 3-vermogen op 1 januari 2024. Stel dat de woning van Marie is verkocht op 12 april 2026, dan gaat die verkoopopbrengst pas meetellen vanaf 1 januari 2027 en heeft Marie daar pas vanaf 1 januari 2029 last van. Waarbij het dan ook nog mogelijk is dat Marie om een “peiljaarherziening” vraagt… Kortom, het is een behoorlijk woud van regels. Die bovendien regelmatig veranderen.

Misschien vind je ook leuk...

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *